Het begrip kwaliteit

Voor dit blog heb ik op Wikipedia gezocht naar het begrip kwaliteit. Ik kom onder andere het volgende tegen, wat ik meteen aanvul met mijn waarneming:

  • de mate van voldoening aan de norm van de klant. Als accountant denk ik: herkenbaar, maar niet volledig. Behalve de klant zijn er nog andere gebruikers van de jaarrekening, zoals leveranciers en afnemers, toezichthouders, belastingdienst, banken en andere vermogensverstrekkers e.d. die op onderdelen andere normen hebben dan klanten.
  • geschiktheid voor gebruik. Dat sluit aan bij mijn opmerking bij de vorige definitie. Wat voor de ene gebruiker goed is, is dat misschien niet voor de andere gebruiker.

Accountants definitie van kwaliteit

Ook accountants hebben moeite om een goede definitie van kwaliteit te geven, maar er is wel een duidelijke indicatie dat de beleving van kwaliteit afhankelijk is van de gebruiker van een product of dienst. En daar zit ook onze worsteling: onze cliënten willen liever niet betalen voor een perfect dossier vol met vastleggingen over allerlei accountantsregels waar zij als cliënt niets aan hebben. En de ene cliënt betaalt graag voor een goede nachtrust, zonder angstdromen over belastingcontroles, waar de andere cliënt graag de grens opzoekt van wat fiscaal nog mag. Komt er op de een of andere manier toch “gedoe” in de vorm van een tuchtklacht, dan kunnen het soms echt de kleinste details uit een dossier zijn die de accountant kunnen vrijpleiten (of juist niet). Als je een bankier of belastinginspecteur vraagt naar de kwaliteit van de dienstverlening van een accountant, dan zullen hun antwoorden deels overeenstemmen, maar ook zij zullen op onderdelen van mening verschillen. En dan zijn er nog verschillende toezichthouders, zoals bijvoorbeeld Bureau Financieel Toezicht (BFT, ziet toe op naleving Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, Wwft), Autoriteit Financiële Markten (AFM, toezicht op de wettelijke controles van jaarrekeningen) en de eerder genoemde SRA.

SRA

De SRA-toetsing is een belangrijk aspect van onze kwaliteit. Deze toetsing bestrijkt een breed spectrum van de dienstverlening van ons kantoor (hoewel niet al onze vormen van dienstverlening getoetst worden aan de hand van dossiers). Er zijn dossiers getoetst van onze werkzaamheden voor het controleren, beoordelen en (vooral) samenstellen van jaarrekeningen. Daarnaast zijn ook aangiften inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting in detail bekeken. De naleving van de Wwft komt aan bod bij het toetsen van dossiers, alsmede bij het, ook niet onbelangrijke, stelsel van kwaliteitsbeheersing. Oftewel: als SRA geen dossiers komt toetsen, wat doen wij dan zelf als kantoor om de kwaliteit te meten en te verbeteren?

 

Kortom: kunnen wij zeggen na een SRA-toetsing dat wij kwaliteit leveren? Gezien de breedte van de toetsing, zeg ik volmondig “ja”. En het is aan ons om cliënten en andere gebruikers en stakeholders in het oog te houden en hun beleving bij onze kwaliteit in de peiling te houden. Hierover blijven mijn collega’s vooral graag met cliënten en andere gebruikers in gesprek. En met de voldoendes van SRA kunnen wij weer vooruit, met voortdurend meten en verbeteren van onze kwaliteit.

Bibi van den Bragt RA | AA

Compliance officer

0544-39 33 33 b.van.den.bragt@ecovisbonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Wanneer gaat het niet goed?

In Nederland wordt doorgaans een holding gebruikt als aandeelhouder van de Duitse GmbH. Dat is vanwege aansprakelijkheid / risicospreiding binnen een ondernemingsstructuur ook vaak een goede overweging. Maar juist deze gedachte leidt tot een vergoot risico op (onnodige) dividendbelasting in Duitsland.

 

De Duitse belastingdienst gaat er in de basis van uit dat een Nederlandse holding alleen is opgericht om belastingheffing op winst uit deelnemingen te voorkomen (wat overigens ook best vaak zo is). Indien er sprake is van zo’n potentiële misbruikstructuur, vindt de Duitse belastingdienst dat Duitsland gerechtigd is dividendbelasting in te houden. Vaak is dat 15%.

Wanneer gaat het wel goed?

Indien een actieve BV aandeelhouder is van een Duitse GmbH, is er doorgaans geen sprake van een misbruik structuur en accepteert de Duitse belastingdienst vaak een inhoudingsvrijstelling / 0% dividendbelasting. Het gaat in de meeste gevallen dus goed als de aandeelhouder van de GmbH, de Nederlandse werkmaatschappij is die zaken doet met de Duitse GmbH. Het kan ook goed gaan indien de aandeelhouder een holding is, die echter ook personeel in dienst heeft (naast de DGA), zoals dat wel eens het geval is bij een zogenoemde exploitatie BV.

Vergeet aanvraag van de vrijstelling niet

Een eventuele vrijstelling kan alleen worden toegepast als er vooraf een verzoek is ingediend en deze ook is gehonoreerd. Indien er geen vrijstellingsbeschikking is afgegeven op het moment dat de dividenduitkering wordt gedaan, is altijd dividendbelasting verschuldigd. Er bestaat dan wel een mogelijkheid de eventuele afgedragen dividendbelasting terug te vragen.

Verdragsbescherming voor Holding met alleen Nederlandse aandeelhouders

Gelukkig heeft Nederland met Duitsland een belastingverdrag gesloten die de belastingdruk nog kan beperken. Afgesproken is namelijk dat er onder voorwaarden slechts 5% dividendbelasting mag worden geheven, indien de Nederlandse Holding BV (aandeelhouder van de GmbH) uiteindelijk zelf weer alleen Nederlandse aandeelhouders (UBO’s) heeft.

Niet alleen van belang voor winstuitkering

Eventuele dividendbelasting is niet alleen verschuldigd bij een eventuele dividenduitkering. Dividendbelasting is ook verschuldigd indien bijvoorbeeld naar mening van de belastingdienst geen zakelijke afspraken tussen een BV en een GmbH binnen dezelfde ondernemingsstructuur worden gemaakt. Dan is er mogelijk sprake van zogenoemde “Verdeckte Gewinnausschüttung” en is er dividendbelasting verschuldigd naast een mogelijk correctie van de vennootschapsbelasting.

 

Tot slot
Uiteraard speelt niet alleen dividendbelasting een rol bij de keuze van de juiste aandeelhouder van de GmbH. Ook de reeds genoemde risicobeperking en mogelijke andere argumenten kunnen een rol spelen.

Indien je van plan bent een GmbH op te richten, neem gerust vrijblijvend contact op met onze Duitsland-desk om bovenstaande en eventuele andere relevante aspecten in jouw specifieke situatie door te spreken. Uiteraard kun je ook vrijblijvend contact opnemen indien je al een GmbH hebt maar je afvraagt of alles wel goed gestructureerd is.

Bron: Wed, 06 Apr 2022 10:52:43 +0100

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Wet betaald ouderschapsverlof

In uitzondering op de huidige regeling is het vanaf 2 augustus 2022 mogelijk om maximaal 9 weken (op basis van een fulltime dienstverband) betaald ouderschapsverlof op te nemen in het eerste levensjaar van het kind. Deze UWV-uitkering zal een hoogte hebben van 70% van het dagloon (tot 70% van het maximum dagloon) van de werknemer. Dit betekent dat het ouderschapsverlof van maximaal 26 weken, voor 9 weken betaald kan worden genoten. Voor de overige 17 weken blijft gelden dat het gaat om onbetaald verlof.

 

De werkgever kan een aanvraag hiertoe indienen bij het UWV. Hieraan zijn een aantal voorwaarden verbonden:

1.     De betaalde 9 weken ouderschapsverlof dienen te worden opgenomen in het eerste levensjaar van het kind.

2.     De aanvraag kan pas worden gedaan als het verlof is opgenomen. Oftewel de verlofuren dienen vast te staan alvorens aanvraag wordt gedaan. Het is dus niet zo dat de verlofuren eerst (volledig) genoten moeten worden.

 

Wordt het betaald ouderschapsverlof niet genoten? Dan worden deze 9 weken toegevoegd aan de 17 weken van onbetaald verlof.

Omvang uren ouderschapsverlof

Het aantal uren waarover het recht op ouderschapsverlof ontstaat, wordt bepaald aan de hand van het aantal contracturen. Mocht er voorafgaand of tijdens het ouderschapsverlof een wijziging in het aantal uren plaatsvinden, dan dient het aantal uren ouderschapsverlof opnieuw berekend te worden.

Opbouw vakantiedagen en vakantiegeld

De werknemer bouwt over het betaald ouderschapsverlof vakantiedagen en vakantiegeld op. Dit geldt zowel voor het gedeelte van het ouderschapsverlof waarover de werknemer een uitkering van het UWV ontvangt, als het gedeelte waarover de werkgever (op grond van bijvoorbeeld de arbeidsovereenkomst of een cao) het ouderschapsverlof doorbetaalt. Gedurende het onbetaalde ouderschapsverlof bouwt de werknemer geen vakantiedagen en vakantiegeld op.

Kind geboren vóór 2 augustus 2022

Als het kind is geboren vóór 2 augustus 2022, kunnen ouders alsnog aanspraak maken op het betaald ouderschapsverlof. Hieraan zijn twee bijkomende voorwaarden verbonden:

1.     Het kind dient op 2 augustus 2022 jonger te zijn dan één jaar.

2.     De ouders of verzorgers mogen op dat moment nog niet het volledige recht op ouderschapsverlof hebben opgenomen.

Uitkering van het betaald ouderschapsverlof

De uitkering vanuit het UWV kan worden betaald aan de werkgever of direct aan de desbetreffende werknemer. Het UWV betaalt de uitkering in maximaal drie delen. De uitkering kan achteraf bij UWV worden aangevraagd nadat de werknemer voor minimaal 1 keer het aantal uren van zijn werkweek betaald ouderschapsverlof heeft opgenomen.

Overige aandachtspunten

  • Tijdens het ouderschapsverlof kan het inkomen van de werknemer dalen. Om deze reden is het raadzaam om het recht op eventuele toeslagen, zoals kinderopvangtoeslag, zorgtoeslag en huurtoeslag, te controleren;
  • De opname van ouderschapsverlof heeft in beginsel geen effect op een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit kan anders zijn indien de werknemer meer dan 18 maanden voltijd onbetaald ouderschapsverlof heeft opgenomen.
  • Leg de afspraken omtrent het ouderschapsverlof en de bijbehorende gevolgen vast.

 

Gepubliceerd op: 28-03-2022

mr. Hester van Seventer

Senior jurist

0481-36 58 20 h.van.seventer@bonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Waarom de bedrijfsopvolgingsregeling?

Niet het leukste onderwerp om over na te denken, maar er komt een moment waarop je zult overlijden en jouw vermogen zal vererven. Om te voorkomen dat jouw kinderen daarover onnodig veel belasting moeten betalen, is het belangrijk hier nu al goed over na te denken. Zo kun je onder voorwaarden nu nog gebruik maken van de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat een deel van jouw ondernemingsvermogen fiscaal vriendelijk overgaat naar jouw kinderen.

 

Op het moment dat je overlijdt zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, moeten jouw kinderen 26,9% inkomstenbelasting in box 2 afdragen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Daarnaast moeten jouw kinderen ca. 20% erfbelasting betalen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen (na aftrek van de betaalde inkomstenbelasting). Per saldo leidt dit tot een acute belastingdruk van ruim 42% over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Dit bedrag kan dus behoorlijk oplopen. Het is maar de vraag of jouw kinderen deze forse belastingclaims kunnen betalen, aangezien het ondernemingsvermogen dat zij erven ‘vastzit’ in de onderneming en niet zomaar liquide gemaakt kan worden. Dit kan een serieuze bedreiging zijn voor de continuïteit van de onderneming.

 

Om dit probleem op te lossen, bestaat op dit moment nog de bedrijfsopvolgingsregeling. Deze regeling zorgt ervoor dat de inkomstenbelastingclaim in box 2 voor onbepaalde tijd kan worden uitgesteld, en dat de erfbelasting wordt beperkt tot slechts maximaal 3,4%.

Hoelang bestaat de bedrijfsopvolgingsregeling nog?

Deze gunstige bedrijfsopvolgingsregeling staat al lange tijd onder druk. Er zijn de afgelopen tijd in de politiek diverse voorstellen gedaan die variëren van versobering tot volledige afschaffing van de bedrijfsopvolgingsregeling. Het nieuwe kabinet heeft aangegeven de BOR kritisch te gaan evalueren. Wat er precies met de BOR gaat gebeuren is nog onzeker, maar er bestaat een reëel risico dat de regeling wordt afgeschaft of versoberd. Dus als je er gebruik van wil maken, doe het dan nog dit jaar.

Bedrijfsopvolgingsregeling nú gebruiken

De BOR geldt niet alleen als jouw ondernemingsvermogen vererft bij overlijden, maar ook als je bij leven (een deel van) jouw ondernemingsvermogen schenkt aan jouw kinderen. Dus het is mogelijk om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling nu nog veilig te stellen door dit jaar (een deel van) jouw ondernemingsvermogen te schenken aan jouw kinderen.

 

Los van fiscale afwegingen, spelen emotionele afwegingen natuurlijk ook een rol. Is het wel verantwoord om kinderen nu al een behoorlijk bedrag aan vermogen te schenken? Kunnen ze dit vermogen in 1 keer opmaken? Krijgen ze daarmee ook zeggenschap in de onderneming? En hoe zit het met ‘de koude kant’ bij scheiden of overlijden van een kind? Op al deze vragen is het antwoord: je kunt dit inkleden zoals je zelf wilt. Het is dus zeker mogelijk om te regelen dat jouw kinderen geen enkele zeggenschap krijgen in de onderneming, en ook nog geen gebruik kunnen maken van het vermogen. Het schenken van (een deel van) jouw ondernemingsvermogen heeft dan vooralsnog alleen fiscale (voordelige) gevolgen.

Vereenvoudigd rekenvoorbeeld bedrijfsopvolgingsregeling

Een vereenvoudigd rekenvoorbeeld laat nog duidelijker de belastingvoordelen zien als nu gebruik wordt gemaakt van de BOR.

 

Stel: een ondernemer heeft 3 kinderen, en schenkt ieder kind 15% van het ondernemingsvermogen (dus in totaal 45%). De waarde van de onderneming bedraagt € 15 miljoen. De waarde van de schenking per kind is daarmee € 2,25 miljoen (€ 6,75 miljoen totaal).

 

Voordelen bij toepassing BOR:

  • Uitstel inkomstenbelastingclaim box 2: ca. € 1,8 miljoen;
  • Besparing erfbelasting: ca. € 1 miljoen;
  • 45% waardestijging van de onderneming vanaf moment van schenking komt onbelast bij kinderen terecht.

 

De te betalen schenkbelasting over het niet-vrijgestelde deel bedraagt dan per kind: ca. € 52.000 (in totaal ca. € 156.000). De belastingdruk op het overgegane deel van het ondernemingsvermogen is dus slechts 2%!

Voorwaarden toepassing bedrijfsopvolgingsregeling

Om de BOR te kunnen toepassen, moet aan enkele voorwaarden worden voldaan. De belangrijkste zijn:

  • Je moet zelf minimaal 5 jaar eigenaar (ondernemer of aandeelhouder) zijn geweest van de onderneming;
  • de kinderen moeten minimaal 3 jaar op de loonlijst staan bij de onderneming (arbeidsomvang is niet relevant);
  • de onderneming moet na de schenking minimaal 5 jaar worden voortgezet en de kinderen moeten gedurende
  • deze 5 jaar eigenaar (ondernemer of aandeelhouder) blijven van het geschonken deel van de onderneming;
  • het moet gaan om ondernemingsvermogen (de BOR kan niet worden toegepast op beleggingsvermogen).

 

Het is dus niet noodzakelijk dat de kinderen ook daadwerkelijk de (beoogde) bedrijfsopvolger zijn; het is voldoende dat zij 3 jaar op de loonlijst staan en na de schenking nog 5 jaar eigenaar blijven van het geschonken deel van het ondernemingsvermogen.

Advies nodig?

Gebruikmaken van de BOR is al met al best een omvangrijk traject. Gelet op het grote fiscale voordeel dat kan worden behaald, is het absoluut de moeite waard om te onderzoeken of ook jij de BOR nog kan toepassen. Heb je hierover vragen of wil je eens sparren over de mogelijkheden om zelf de BOR te benutten? Neem dan gerust vrijblijvend contact op met één van onze fiscalisten of jouw vaste contactpersoon binnen BonsenReuling.

 

Publicatiedatum: 01-02-2022

mr. Harry Hurkens RB

Senior belastingadviseur

0481-36 58 20 h.hurkens@bonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Waarom de bedrijfsopvolgingsregeling?

Niet het leukste onderwerp om over na te denken, maar er komt een moment waarop je zult overlijden en jouw vermogen zal vererven. Om te voorkomen dat jouw kinderen daarover onnodig veel belasting moeten betalen, is het belangrijk hier nu al goed over na te denken. Zo kun je onder voorwaarden nu nog gebruik maken van de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat een deel van jouw ondernemingsvermogen fiscaal vriendelijk overgaat naar jouw kinderen.

 

Op het moment dat je overlijdt zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, moeten jouw kinderen 26,9% inkomstenbelasting in box 2 afdragen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Daarnaast moeten jouw kinderen ca. 20% erfbelasting betalen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen (na aftrek van de betaalde inkomstenbelasting). Per saldo leidt dit tot een acute belastingdruk van ruim 42% over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Dit bedrag kan dus behoorlijk oplopen. Het is maar de vraag of jouw kinderen deze forse belastingclaims kunnen betalen, aangezien het ondernemingsvermogen dat zij erven ‘vastzit’ in de onderneming en niet zomaar liquide gemaakt kan worden. Dit kan een serieuze bedreiging zijn voor de continuïteit van de onderneming.

 

Om dit probleem op te lossen, bestaat op dit moment nog de bedrijfsopvolgingsregeling. Deze regeling zorgt ervoor dat de inkomstenbelastingclaim in box 2 voor onbepaalde tijd kan worden uitgesteld, en dat de erfbelasting wordt beperkt tot slechts maximaal 3,4%.

Hoelang bestaat de bedrijfsopvolgingsregeling nog?

Deze gunstige bedrijfsopvolgingsregeling staat al lange tijd onder druk. Er zijn de afgelopen tijd in de politiek diverse voorstellen gedaan die variëren van versobering tot volledige afschaffing van de bedrijfsopvolgingsregeling. Het nieuwe kabinet heeft aangegeven de BOR kritisch te gaan evalueren. Wat er precies met de BOR gaat gebeuren is nog onzeker, maar er bestaat een reëel risico dat de regeling wordt afgeschaft of versoberd. Dus als je er gebruik van wil maken, doe het dan nog dit jaar.

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Waarom de bedrijfsopvolgingsregeling?

Niet het leukste onderwerp om over na te denken, maar er komt een moment waarop je zult overlijden en jouw vermogen zal vererven. Om te voorkomen dat jouw kinderen daarover onnodig veel belasting moeten betalen, is het belangrijk hier nu al goed over na te denken. Zo kun je onder voorwaarden nu nog gebruik maken van de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat een deel van jouw ondernemingsvermogen fiscaal vriendelijk overgaat naar jouw kinderen.

 

Op het moment dat je overlijdt zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, moeten jouw kinderen 26,9% inkomstenbelasting in box 2 afdragen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Daarnaast moeten jouw kinderen ca. 20% erfbelasting betalen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen (na aftrek van de betaalde inkomstenbelasting). Per saldo leidt dit tot een acute belastingdruk van ruim 42% over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Dit bedrag kan dus behoorlijk oplopen. Het is maar de vraag of jouw kinderen deze forse belastingclaims kunnen betalen, aangezien het ondernemingsvermogen dat zij erven ‘vastzit’ in de onderneming en niet zomaar liquide gemaakt kan worden. Dit kan een serieuze bedreiging zijn voor de continuïteit van de onderneming.

 

Om dit probleem op te lossen, bestaat op dit moment nog de bedrijfsopvolgingsregeling. Deze regeling zorgt ervoor dat de inkomstenbelastingclaim in box 2 voor onbepaalde tijd kan worden uitgesteld, en dat de erfbelasting wordt beperkt tot slechts maximaal 3,4%.

Hoelang bestaat de bedrijfsopvolgingsregeling nog?

Deze gunstige bedrijfsopvolgingsregeling staat al lange tijd onder druk. Er zijn de afgelopen tijd in de politiek diverse voorstellen gedaan die variëren van versobering tot volledige afschaffing van de bedrijfsopvolgingsregeling. Het nieuwe kabinet heeft aangegeven de BOR kritisch te gaan evalueren. Wat er precies met de BOR gaat gebeuren is nog onzeker, maar er bestaat een reëel risico dat de regeling wordt afgeschaft of versoberd. Dus als je er gebruik van wil maken, doe het dan nog dit jaar.

Vaste reiskostenvergoeding tot en met 2021

Tot en met 2021 kan er een vaste reiskostenvergoeding worden betaald op basis van de zogenoemde 128-dagenregeling. De vaste reiskostenvergoeding mag worden gegeven alsof de werknemer 214 dagen per kalenderjaar naar de vaste werkplek reist, zolang de werknemer op kalenderjaarbasis ten minste 128 werkdagen naar de vaste werkplek reist. Voor werknemers die parttime werken moet de 128-dagenregeling en berekening van de reiskostenvergoeding pro-rata worden toegepast.

Vaste vergoedingen structureel thuiswerken per 1 januari 2022

Werknemers die structureel een aantal dagen per week thuis en op de vaste werkplek (bijvoorbeeld op kantoor) werken, kunnen onder voorwaarden per 1 januari 2022 een gecombineerde maandelijkse onbelaste vaste thuiswerkvergoeding en een vaste onbelaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer ontvangen.

Vaste thuiswerkvergoeding en vaste reiskostenvergoeding per 1 januari 2022

Per 1 januari 2022 geldt de 128-dagenregeling naast de vaste reiskostenvergoeding ook voor de vaste thuiswerkvergoeding. De 128-dagenregeling is wel aangepast, waardoor de vaste thuiswerkvergoeding en vaste reiskostenvergoeding pro-rata moeten worden berekend op basis van het aantal thuiswerkdagen en reisdagen. Hiermee wil de wetgever voorkomen dat op een thuiswerkdag ook nog een onbelaste vaste reiskostenvergoeding kan worden betaald. Dit wordt duidelijk aan de hand van het onderstaande voorbeeld.

 

Verder geldt voor werknemers die parttime werken nog steeds dat de vaste vergoedingen pro-rata moeten worden berekend.

 

Voorbeeld vaste thuiswerkvergoeding en vaste reiskostenvergoeding

Conclusie
De totale vaste reiskostenvergoeding en thuiswerkvergoeding valt per saldo per 1 januari 2022 lager uit ten opzichte van de vaste reiskostenvergoeding tot en met 2021. Dit is slechts anders wanneer de enkele reisafstand naar de vaste werkplek niet meer dan 5 kilometer bedraagt.

 

Door de pro-rata toepassing van de 128-dagenregeling hoeft ziekte, vakantie, klantbezoek, meerdaagse cursus of een andere reden die incidenteel afwijkt van het afgesproken werkschema niet direct te leiden tot aanpassing van de vaste vergoedingen.

 

Verder blijft het in 2022 mogelijk om de vergoeding op declaratiebasis te betalen in plaats van een vaste vergoeding te betalen.

Gemengde kosten

De kosten voor thuiswerken van maximaal € 2 per dag zijn voor de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting in beginsel gemengde kosten (deels zakelijk en deels privé). Er is voor de thuiswerkvergoeding bepaald dat € 0,95 (koffie/thee) onder de aftrekbeperking gemengde kosten valt en het resterende bedrag van € 1,05 volledig aftrekbaar is van de winst.

Wat te doen?

Wanneer een werknemer structureel thuiswerkt en er is een reiskostenvergoeding overeengekomen, dan moeten de reis- en thuiswerkdagen in beeld worden gebracht en afspraken over de thuiswerkvergoeding en reiskostenvergoeding worden gemaakt. Wij adviseren om de afspraken met de werknemer schriftelijk vast te leggen.

 

Wanneer een werknemer incidenteel thuiswerkt en dit ook in 2022 het geval blijft, dan kan de reiskostenvergoeding op dezelfde wijze worden verwerkt als in 2021. Daarbij blijft het bij een vaste reiskostenvergoeding belangrijk te controleren of de werknemer voldoet aan de 128-dagenregeling.

 

Verder zal door het thuiswerken het kostenschema van de werknemer veranderen, waardoor beoordeeld moet worden in hoeverre de eerdere onderbouwing van de algemene vaste kostenvergoeding (op basis van een kostenonderzoek) nog juist is.

 

Datum van publicatie: 14-12-2021

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Onderhanden projecten RJ 221

Het belangrijkste kenmerk van onderhanden projecten is dat het projecten zijn die voor derden, dus klanten, uitgevoerd worden. De opbrengsten uit deze projecten kunnen tot dusver gepresenteerd worden als netto-omzet of als ‘wijziging onderhanden projecten’ in de winst-en-verliesrekening. Vanaf 1 januari 2022 is het verplicht om projectopbrengsten onder de netto-omzet te presenteren. Dit zal geen invloed hebben op de grootte criteria omdat de ‘wijziging onderhanden projecten’ al mee werd genomen voor deze bepaling.

 

Bij onderhanden projecten kan sprake zijn van een actief- of een passiefpost. Of de post onderhanden projecten een debet- of creditsaldo heeft is afhankelijk van de voortgang van de onderhanden projecten en het aantal verkoopfacturen die al verzonden zijn. Een passiefpost houdt in dat er omzet vooruit gefactureerd is en dat er nog prestaties geleverd moeten worden (schuld). Een actiefpost houdt in dat er een vordering is op basis van het geleverde werk en er nog een verkoopfactuur verzonden moet worden. Tot dusver mogen deze posten gesaldeerd weergegeven worden in de balans. Met ingang van 1 januari 2022 is het verplicht zowel de actief- als de passiefpost apart te presenteren. Het balanstotaal van veel ondernemingen zal dus toenemen als gevolg van deze wijziging. Het splitsen van de passief- en actiefposten vergroot het inzicht dat de jaarrekening geeft, naar de mening van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

Belangrijke financieringscomponenten

Stel dat je goederen of diensten levert, waarbij de klant meer dan één jaar de tijd mag nemen voor de betaling. De RJ stelt dat sprake is van een belangrijk financieringscomponent indien de betaling langer dan één jaar duurt. Er is dan sprake van een langlopende vordering op een klant. Is er sprake van een betalingsregeling of verlengde termijn, dan is dit relevant voor hoe de opbrengsten verantwoord worden. De RJ gaat ervan uit dat indien de betaling langer dan een jaar duurt, er sprake is van een ‘krediet’ of ‘lening’. Onderstaand volgt een voorbeeld:

 

Stel een auto wordt verkocht voor € 20.000 en de betaling van de auto vindt plaats in twee delen: de eerste € 10.000 binnen zes maanden na levering en de tweede € 10.000 na anderhalf jaar. In deze transactie is sprake van een belangrijke financieringscomponent omdat tussen het moment van leveren en betalen langer dan één jaar zit voor het tweede deel van anderhalf jaar. Stel dat een gebruikelijk rentepercentage op het moment van verkoop 5% bedraagt.

 

Op het moment dat de auto verkocht wordt mag, geen opbrengst van € 20.000 verantwoord worden. Er is immers sprake van een financieringscomponent. In plaats van € 20.000 mag maar € 20.000 * 95% = € 19.000 euro aan opbrengsten genomen worden. Dit omdat de betaling na anderhalf jaar als financiering wordt aangemerkt en daarmee onderdeel is van de verkoopprijs. De opbrengst bij betaling na anderhalf jaar bedraagt dan de resterende € 1.000. Er is hier dus sprake van een gedeeltelijke renteopbrengst wat een financiële bate betreft.

 

Wanneer je regelmatig betalingstermijnen van meer dan één jaar overeenkomt, heeft deze wijziging dus wel impact op de omzetverantwoording en daarmee op de financiële administratie.

Licenties

Een licentie is in feite een terbeschikkingstelling van intellectueel eigendom van de rechtspersoon aan de afnemer. Denk hierbij aan software, octrooien, muziek, auteursrechten of handelsmerken.

 

Opbrengsten uit licenties kunnen worden behandeld in het kader van opbrengstenverantwoording als de verkoop van een goed of als de levering van de dienst. Bij de verkoop van een goed neem je de opbrengst bij verkoop en bij een dienst naar gelang de prestatie geleverd wordt.

 

Stel dat een licentie wordt verkocht voor het gebruik van Microsoft Excel gedurende twee jaar voor in totaal € 200.000. Belangrijk hierbij is om na te gaan of de verkoper verplichtingen heeft om de geleverde licentie te onderhouden of te verbeteren en of zonder deze dienst de software alsnog gebruikt kan worden.

 

In het geval van Microsoft Excel gaan we ervan uit dat onderhoud en verbetering niet noodzakelijk zijn. In dit geval wordt op het moment van verkoop de licentie, zijnde een goed geleverd en wordt de opbrengst van € 200.000 ineens verantwoord.

 

Stel nu dat zelf ontwikkelde software verkocht wordt voor € 200.000 waarbij de verkoper de software moet monitoren en updates moet uitvoeren, de software is ook niet bruikbaar zonder de monitoring en updates. In dit voorbeeld wordt de verkoop van de software behandeld als een dienst omdat de verkoop gedurende de twee jaar plaatsvindt en voor goed gebruik van de software ook updates aangeboden moeten worden.

 

Belangrijk hierbij is om na te gaan of er sprake is van meerdere prestatieverplichtingen. Zie hiertoe mijn eerdere blog. Indien je licenties verkoopt is het goed na te gaan hoe deze opbrengsten verantwoord moeten worden. Kijk hierbij goed naar de contractuele afspraken die opgenomen zijn in de overeenkomst en de aard van de licentie die je levert.

Retouren

Retourneren, iedereen doet het bij het (online) kopen van kleding of andere producten. Maar tot dusver was in de RJ niks opgenomen over de verwerking hiervan. In RJ 270, onderdeel van de RJ-uiting 2020-15, wordt nu voorgeschreven hoe retouren verwerkt moet worden in de administratie.

 

De verkoper van goederen moet inschatten hoeveel van zijn verkopen retour komen. Hierbij is het zinvol om naar het verleden te kijken en na te gaan hoeveel procent gemiddeld retour komt. Op basis van deze ervaringscijfers kan een betrouwbare inschatting van de retouren gemaakt worden.

 

Op basis van deze inschatting moeten de opbrengsten en de kostprijs verlaagd worden met het verwachte bedrag aan retouren. De verwachte retouren worden als verplichting opgenomen op de balans en in mindering gebracht op de opbrengsten. Anderzijds wordt het recht op retour als een actiefpost opgenomen die gewaardeerd wordt op boekwaarde van de geleverde goederen verminderd met alle verwachte kosten om die goederen terug te krijgen (inclusief mogelijke waardeverminderingen van geretourneerde goederen).

 

Voorbeeld: De onderstaande producten worden in de maand december verkocht. De opbrengst van in totaal € 32.000 wordt niet volledig als opbrengst verantwoord, de boeking is:

 

Bank                                        32.000
Opbrengst                               31.550
Verplichting retouren               450

 

 

Wanneer de goederen niet retour komen, valt de verplichting vrij ten gunste van de omzet. Dit zal na het verlopen van de retourtermijn beoordeeld moeten worden. Let op, in dit voorbeeld is de kostprijs niet gecorrigeerd middels een actiefpost.

Garanties

In de huidige richtlijn is over garanties geen specifieke bepaling opgenomen. De nieuwe richtlijn kijkt wederom of de garantie een separate prestatieverplichting is. Een garantie die gegeven is om te borgen dat een goed aan de overeengekomen specificaties voldoet, is geen aparte prestatieverplichting. Het goed dat je verkoopt moet namelijk voldoen aan de specificaties anders houd je geen klanten over. Een aanvullende garantietermijn, boven de wettelijk vereiste garantietermijn, is daarentegen wel een aparte prestatieverplichting. Indien dit het geval is moet het deel van de transactieprijs die betrekking heeft op de garantie apart worden toegerekend. Is er sprake van een wettelijke garantie dan verwerken we de verwachte garantiekosten in een garantievoorziening.

 

Ik heb in dit blog middels een aantal voorbeelden geprobeerd de impact van de nieuwe uiting duidelijk te maken voor zover ik dat kan met slechts 1.700 woorden. Mocht je vragen hebben ten aanzien van dit blog of de gewijzigde regelgeving aarzel dan niet om contact met mij op te nemen!

Publicatiedatum: 24-11-2021

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Waarom de bedrijfsopvolgingsregeling?

Niet het leukste onderwerp om over na te denken, maar er komt een moment waarop je zult overlijden en jouw vermogen zal vererven. Om te voorkomen dat jouw kinderen daarover onnodig veel belasting moeten betalen, is het belangrijk hier nu al goed over na te denken. Zo kun je onder voorwaarden nu nog gebruik maken van de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat een deel van jouw ondernemingsvermogen fiscaal vriendelijk overgaat naar jouw kinderen.

 

Op het moment dat je overlijdt zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, moeten jouw kinderen 26,9% inkomstenbelasting in box 2 afdragen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Daarnaast moeten jouw kinderen ca. 20% erfbelasting betalen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen (na aftrek van de betaalde inkomstenbelasting). Per saldo leidt dit tot een acute belastingdruk van ruim 42% over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Dit bedrag kan dus behoorlijk oplopen. Het is maar de vraag of jouw kinderen deze forse belastingclaims kunnen betalen, aangezien het ondernemingsvermogen dat zij erven ‘vastzit’ in de onderneming en niet zomaar liquide gemaakt kan worden. Dit kan een serieuze bedreiging zijn voor de continuïteit van de onderneming.

 

Om dit probleem op te lossen, bestaat op dit moment nog de bedrijfsopvolgingsregeling. Deze regeling zorgt ervoor dat de inkomstenbelastingclaim in box 2 voor onbepaalde tijd kan worden uitgesteld, en dat de erfbelasting wordt beperkt tot slechts maximaal 3,4%.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

Belangrijke financieringscomponenten

Stel dat je goederen of diensten levert, waarbij de klant meer dan één jaar de tijd mag nemen voor de betaling. De RJ stelt dat sprake is van een belangrijk financieringscomponent indien de betaling langer dan één jaar duurt. Er is dan sprake van een langlopende vordering op een klant. Is er sprake van een betalingsregeling of verlengde termijn, dan is dit relevant voor hoe de opbrengsten verantwoord worden. De RJ gaat ervan uit dat indien de betaling langer dan een jaar duurt, er sprake is van een ‘krediet’ of ‘lening’. Onderstaand volgt een voorbeeld:

 

Stel een auto wordt verkocht voor € 20.000 en de betaling van de auto vindt plaats in twee delen: de eerste € 10.000 binnen zes maanden na levering en de tweede € 10.000 na anderhalf jaar. In deze transactie is sprake van een belangrijke financieringscomponent omdat tussen het moment van leveren en betalen langer dan één jaar zit voor het tweede deel van anderhalf jaar. Stel dat een gebruikelijk rentepercentage op het moment van verkoop 5% bedraagt.

 

Op het moment dat de auto verkocht wordt mag, geen opbrengst van € 20.000 verantwoord worden. Er is immers sprake van een financieringscomponent. In plaats van € 20.000 mag maar € 20.000 * 95% = € 19.000 euro aan opbrengsten genomen worden. Dit omdat de betaling na anderhalf jaar als financiering wordt aangemerkt en daarmee onderdeel is van de verkoopprijs. De opbrengst bij betaling na anderhalf jaar bedraagt dan de resterende € 1.000. Er is hier dus sprake van een gedeeltelijke renteopbrengst wat een financiële bate betreft.

 

Wanneer je regelmatig betalingstermijnen van meer dan één jaar overeenkomt, heeft deze wijziging dus wel impact op de omzetverantwoording en daarmee op de financiële administratie.

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Waarom de bedrijfsopvolgingsregeling?

Niet het leukste onderwerp om over na te denken, maar er komt een moment waarop je zult overlijden en jouw vermogen zal vererven. Om te voorkomen dat jouw kinderen daarover onnodig veel belasting moeten betalen, is het belangrijk hier nu al goed over na te denken. Zo kun je onder voorwaarden nu nog gebruik maken van de bedrijfsopvolgingsregeling, zodat een deel van jouw ondernemingsvermogen fiscaal vriendelijk overgaat naar jouw kinderen.

 

Op het moment dat je overlijdt zonder toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling, moeten jouw kinderen 26,9% inkomstenbelasting in box 2 afdragen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Daarnaast moeten jouw kinderen ca. 20% erfbelasting betalen over de waarde van jouw ondernemingsvermogen (na aftrek van de betaalde inkomstenbelasting). Per saldo leidt dit tot een acute belastingdruk van ruim 42% over de waarde van jouw ondernemingsvermogen. Dit bedrag kan dus behoorlijk oplopen. Het is maar de vraag of jouw kinderen deze forse belastingclaims kunnen betalen, aangezien het ondernemingsvermogen dat zij erven ‘vastzit’ in de onderneming en niet zomaar liquide gemaakt kan worden. Dit kan een serieuze bedreiging zijn voor de continuïteit van de onderneming.

 

Om dit probleem op te lossen, bestaat op dit moment nog de bedrijfsopvolgingsregeling. Deze regeling zorgt ervoor dat de inkomstenbelastingclaim in box 2 voor onbepaalde tijd kan worden uitgesteld, en dat de erfbelasting wordt beperkt tot slechts maximaal 3,4%.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

drs. Rob Droppers RA | AA

Accountant-Medewerker

0545-46 36 26 r.droppers@bonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Wet betaald ouderschapsverlof

In uitzondering op de huidige regeling is het vanaf 2 augustus 2022 mogelijk om maximaal 9 weken (op basis van een fulltime dienstverband) betaald ouderschapsverlof op te nemen in het eerste levensjaar van het kind. Deze UWV-uitkering zal een hoogte hebben van 70% van het dagloon (tot 70% van het maximum dagloon) van de werknemer. Dit betekent dat het ouderschapsverlof van maximaal 26 weken, voor 9 weken betaald kan worden genoten. Voor de overige 17 weken blijft gelden dat het gaat om onbetaald verlof.

 

De werkgever kan een aanvraag hiertoe indienen bij het UWV. Hieraan zijn een aantal voorwaarden verbonden:

1.     De betaalde 9 weken ouderschapsverlof dienen te worden opgenomen in het eerste levensjaar van het kind.

2.     De aanvraag kan pas worden gedaan als het verlof is opgenomen. Oftewel de verlofuren dienen vast te staan alvorens aanvraag wordt gedaan. Het is dus niet zo dat de verlofuren eerst (volledig) genoten moeten worden.

 

Wordt het betaald ouderschapsverlof niet genoten? Dan worden deze 9 weken toegevoegd aan de 17 weken van onbetaald verlof.

Omvang uren ouderschapsverlof

Het aantal uren waarover het recht op ouderschapsverlof ontstaat, wordt bepaald aan de hand van het aantal contracturen. Mocht er voorafgaand of tijdens het ouderschapsverlof een wijziging in het aantal uren plaatsvinden, dan dient het aantal uren ouderschapsverlof opnieuw berekend te worden.

Kind geboren vóór 2 augustus 2022

Als het kind is geboren vóór 2 augustus 2022, kunnen ouders alsnog aanspraak maken op het betaald ouderschapsverlof. Hieraan zijn twee bijkomende voorwaarden verbonden:

1.     Het kind dient op 2 augustus 2022 jonger te zijn dan één jaar.

2.     De ouders of verzorgers mogen op dat moment nog niet het volledige recht op ouderschapsverlof hebben opgenomen.

Uitkering van het betaald ouderschapsverlof

De uitkering vanuit het UWV kan worden betaald aan de werkgever of direct aan de desbetreffende werknemer. Het UWV betaalt de uitkering in maximaal drie delen. De uitkering kan achteraf bij UWV worden aangevraagd nadat de werknemer voor minimaal 1 keer het aantal uren van zijn werkweek betaald ouderschapsverlof heeft opgenomen.

mr. Hester van Seventer

Senior jurist

0481-36 58 20 h.van.seventer@bonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.