60 maandenregeling

Op het moment dat de auto van de zaak 5 jaar (60 maanden) oud is, kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. Bij de 60 maandenregeling wordt gekeken naar de datum eerste toelating. Een (hoger) percentage gaat vervolgens in vanaf de maand die volgt op de datum dat de auto 5 jaar oud is. Dit betekent dat van auto’s met een eerste toelating vanaf 1 december 2016 tot en met 30 november 2017 in 2022 de 60 maandenregeling afloopt en voor hen een hogere bijtelling gaat gelden. Voor zowel elektrische auto’s met een eerste toelating in 2016 als in 2017 gaat de bijtelling van 4% naar 16%. Dit is dus een forse stijging.

 

Voorbeeld
De werknemer heeft een elektrische auto van € 50.000 met eerste toelating op 1 januari 2017. Tot op heden heeft de werknemer € 166,67 bijtelling per maand betaald (€ 50.000 x 4% bijtelling / 12 maanden). Vanaf 1 februari 2022 zal dat € 741,67 per maand worden ((€ 35.000 x 16% bijtelling) + (€ 15.000 x 22% bijtelling) / 12 maanden). Dit is een stijging van € 575 euro per maand.

De oplossing?

Uiteraard is het mogelijk om de auto te blijven rijden en de hogere kosten te accepteren, maar deze forse stijging daagt ons uit om te kijken naar andere mogelijkheden. Hieronder hebben wij dit uitgewerkt:

 

1. Geen privé kilometers meer rijden met de zakelijke auto. Hiervoor is een sluitende kilometeradministratie of een verklaring van de Belastingdienst nodig waaruit blijkt dat er niet meer dan 500 privé kilometers worden gereden. Deze keuze dient per jaar gemaakt te worden, dus dit moet vóór 1 januari 2022 besloten en aangevraagd worden, oftewel: de tijd dringt! Bij voorgaande situatie voor een DGA is er echter maatwerk nodig, omdat vanwege de dubbele pet (werkgever- en werknemerschap) de gevolgen anders kunnen zijn. Het kan daarom in deze situatie belangrijk zijn om één van onze fiscaal adviseurs in te schakelen.

 

2. Een andere optie is om tijdig over te stappen op een andere (goedkopere) auto.

 

3. Auto naar privé halen: indien een DGA de auto van zijn BV naar privé wil halen, dan kan dit. Een DGA is namelijk fiscaal gezien werknemer en kan de auto voor de werkelijke waarde op dat moment van de BV overnemen.

 

Voor ondernemers in de inkomstenbelasting kan dit niet zomaar. Of de auto privé of ondernemingsvermogen is wordt namelijk bepaald bij de aanschaf en dit kan alleen worden gewijzigd wanneer er sprake is van een bijzondere omstandigheid.

 

Tot slot is het belangrijk te beseffen dat het overhevelen van de auto naar privé ook gevolgen kan hebben voor de btw. Ook in deze situatie adviseren wij dan ook een (fiscaal) adviseur in te schakelen wanneer je van plan bent de auto naar privé te halen.

Indien jouw auto een datum eerste toelating heeft in de periode december 2016 tot en met november 2017, is het verstandig al voor 1 januari 2022 na te denken wat je met de auto wenst te doen zodra de 60 maanden zijn verstreken. Neem je het voor lief dat je op enig moment netto ineens fors minder over gaat houden? Of rijd je dan liever niet langer privé met de auto van de zaak? De keuze hiervoor dien je voor 1 januari 2022 te maken, want dit kan niet gedurende het jaar.

 

Datum van publicatie: 17-12-2021

Silke van der Kolk

Medewerker Salaris-desk

0545-46 36 26 s.van.der.kolk@bonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

60 maandenregeling

Op het moment dat de auto van de zaak 5 jaar (60 maanden) oud is, kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. Bij de 60 maandenregeling wordt gekeken naar de datum eerste toelating. Een (hoger) percentage gaat vervolgens in vanaf de maand die volgt op de datum dat de auto 5 jaar oud is. Dit betekent dat van auto’s met een eerste toelating vanaf 1 december 2016 tot en met 30 november 2017 in 2022 de 60 maandenregeling afloopt en voor hen een hogere bijtelling gaat gelden. Voor zowel elektrische auto’s met een eerste toelating in 2016 als in 2017 gaat de bijtelling van 4% naar 16%. Dit is dus een forse stijging.

 

Voorbeeld
De werknemer heeft een elektrische auto van € 50.000 met eerste toelating op 1 januari 2017. Tot op heden heeft de werknemer € 166,67 bijtelling per maand betaald (€ 50.000 x 4% bijtelling / 12 maanden). Vanaf 1 februari 2022 zal dat € 741,67 per maand worden ((€ 35.000 x 16% bijtelling) + (€ 15.000 x 22% bijtelling) / 12 maanden). Dit is een stijging van € 575 euro per maand.

De oplossing?

Uiteraard is het mogelijk om de auto te blijven rijden en de hogere kosten te accepteren, maar deze forse stijging daagt ons uit om te kijken naar andere mogelijkheden. Hieronder hebben wij dit uitgewerkt:

 

1. Geen privé kilometers meer rijden met de zakelijke auto. Hiervoor is een sluitende kilometeradministratie of een verklaring van de Belastingdienst nodig waaruit blijkt dat er niet meer dan 500 privé kilometers worden gereden. Deze keuze dient per jaar gemaakt te worden, dus dit moet vóór 1 januari 2022 besloten en aangevraagd worden, oftewel: de tijd dringt! Bij voorgaande situatie voor een DGA is er echter maatwerk nodig, omdat vanwege de dubbele pet (werkgever- en werknemerschap) de gevolgen anders kunnen zijn. Het kan daarom in deze situatie belangrijk zijn om één van onze fiscaal adviseurs in te schakelen.

 

2. Een andere optie is om tijdig over te stappen op een andere (goedkopere) auto.

 

3. Auto naar privé halen: indien een DGA de auto van zijn BV naar privé wil halen, dan kan dit. Een DGA is namelijk fiscaal gezien werknemer en kan de auto voor de werkelijke waarde op dat moment van de BV overnemen.

 

Voor ondernemers in de inkomstenbelasting kan dit niet zomaar. Of de auto privé of ondernemingsvermogen is wordt namelijk bepaald bij de aanschaf en dit kan alleen worden gewijzigd wanneer er sprake is van een bijzondere omstandigheid.

 

Tot slot is het belangrijk te beseffen dat het overhevelen van de auto naar privé ook gevolgen kan hebben voor de btw. Ook in deze situatie adviseren wij dan ook een (fiscaal) adviseur in te schakelen wanneer je van plan bent de auto naar privé te halen.

Indien jouw auto een datum eerste toelating heeft in de periode december 2016 tot en met november 2017, is het verstandig al voor 1 januari 2022 na te denken wat je met de auto wenst te doen zodra de 60 maanden zijn verstreken. Neem je het voor lief dat je op enig moment netto ineens fors minder over gaat houden? Of rijd je dan liever niet langer privé met de auto van de zaak? De keuze hiervoor dien je voor 1 januari 2022 te maken, want dit kan niet gedurende het jaar.

 

Datum van publicatie: 17-12-2021

Vaste reiskostenvergoeding tot en met 2021

Tot en met 2021 kan er een vaste reiskostenvergoeding worden betaald op basis van de zogenoemde 128-dagenregeling. De vaste reiskostenvergoeding mag worden gegeven alsof de werknemer 214 dagen per kalenderjaar naar de vaste werkplek reist, zolang de werknemer op kalenderjaarbasis ten minste 128 werkdagen naar de vaste werkplek reist. Voor werknemers die parttime werken moet de 128-dagenregeling en berekening van de reiskostenvergoeding pro-rata worden toegepast.

Vaste vergoedingen structureel thuiswerken per 1 januari 2022

Werknemers die structureel een aantal dagen per week thuis en op de vaste werkplek (bijvoorbeeld op kantoor) werken, kunnen onder voorwaarden per 1 januari 2022 een gecombineerde maandelijkse onbelaste vaste thuiswerkvergoeding en een vaste onbelaste reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer ontvangen.

Vaste thuiswerkvergoeding en vaste reiskostenvergoeding per 1 januari 2022

Per 1 januari 2022 geldt de 128-dagenregeling naast de vaste reiskostenvergoeding ook voor de vaste thuiswerkvergoeding. De 128-dagenregeling is wel aangepast, waardoor de vaste thuiswerkvergoeding en vaste reiskostenvergoeding pro-rata moeten worden berekend op basis van het aantal thuiswerkdagen en reisdagen. Hiermee wil de wetgever voorkomen dat op een thuiswerkdag ook nog een onbelaste vaste reiskostenvergoeding kan worden betaald. Dit wordt duidelijk aan de hand van het onderstaande voorbeeld.

 

Verder geldt voor werknemers die parttime werken nog steeds dat de vaste vergoedingen pro-rata moeten worden berekend.

 

Voorbeeld vaste thuiswerkvergoeding en vaste reiskostenvergoeding

Conclusie
De totale vaste reiskostenvergoeding en thuiswerkvergoeding valt per saldo per 1 januari 2022 lager uit ten opzichte van de vaste reiskostenvergoeding tot en met 2021. Dit is slechts anders wanneer de enkele reisafstand naar de vaste werkplek niet meer dan 5 kilometer bedraagt.

 

Door de pro-rata toepassing van de 128-dagenregeling hoeft ziekte, vakantie, klantbezoek, meerdaagse cursus of een andere reden die incidenteel afwijkt van het afgesproken werkschema niet direct te leiden tot aanpassing van de vaste vergoedingen.

 

Verder blijft het in 2022 mogelijk om de vergoeding op declaratiebasis te betalen in plaats van een vaste vergoeding te betalen.

Gemengde kosten

De kosten voor thuiswerken van maximaal € 2 per dag zijn voor de vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting in beginsel gemengde kosten (deels zakelijk en deels privé). Er is voor de thuiswerkvergoeding bepaald dat € 0,95 (koffie/thee) onder de aftrekbeperking gemengde kosten valt en het resterende bedrag van € 1,05 volledig aftrekbaar is van de winst.

Wat te doen?

Wanneer een werknemer structureel thuiswerkt en er is een reiskostenvergoeding overeengekomen, dan moeten de reis- en thuiswerkdagen in beeld worden gebracht en afspraken over de thuiswerkvergoeding en reiskostenvergoeding worden gemaakt. Wij adviseren om de afspraken met de werknemer schriftelijk vast te leggen.

 

Wanneer een werknemer incidenteel thuiswerkt en dit ook in 2022 het geval blijft, dan kan de reiskostenvergoeding op dezelfde wijze worden verwerkt als in 2021. Daarbij blijft het bij een vaste reiskostenvergoeding belangrijk te controleren of de werknemer voldoet aan de 128-dagenregeling.

 

Verder zal door het thuiswerken het kostenschema van de werknemer veranderen, waardoor beoordeeld moet worden in hoeverre de eerdere onderbouwing van de algemene vaste kostenvergoeding (op basis van een kostenonderzoek) nog juist is.

 

Datum van publicatie: 14-12-2021

Silke van der Kolk

Medewerker Salaris-desk

0545-46 36 26 s.van.der.kolk@bonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Onderhanden projecten RJ 221

Het belangrijkste kenmerk van onderhanden projecten is dat het projecten zijn die voor derden, dus klanten, uitgevoerd worden. De opbrengsten uit deze projecten kunnen tot dusver gepresenteerd worden als netto-omzet of als ‘wijziging onderhanden projecten’ in de winst-en-verliesrekening. Vanaf 1 januari 2022 is het verplicht om projectopbrengsten onder de netto-omzet te presenteren. Dit zal geen invloed hebben op de grootte criteria omdat de ‘wijziging onderhanden projecten’ al mee werd genomen voor deze bepaling.

 

Bij onderhanden projecten kan sprake zijn van een actief- of een passiefpost. Of de post onderhanden projecten een debet- of creditsaldo heeft is afhankelijk van de voortgang van de onderhanden projecten en het aantal verkoopfacturen die al verzonden zijn. Een passiefpost houdt in dat er omzet vooruit gefactureerd is en dat er nog prestaties geleverd moeten worden (schuld). Een actiefpost houdt in dat er een vordering is op basis van het geleverde werk en er nog een verkoopfactuur verzonden moet worden. Tot dusver mogen deze posten gesaldeerd weergegeven worden in de balans. Met ingang van 1 januari 2022 is het verplicht zowel de actief- als de passiefpost apart te presenteren. Het balanstotaal van veel ondernemingen zal dus toenemen als gevolg van deze wijziging. Het splitsen van de passief- en actiefposten vergroot het inzicht dat de jaarrekening geeft, naar de mening van de Raad voor de Jaarverslaggeving.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

Belangrijke financieringscomponenten

Stel dat je goederen of diensten levert, waarbij de klant meer dan één jaar de tijd mag nemen voor de betaling. De RJ stelt dat sprake is van een belangrijk financieringscomponent indien de betaling langer dan één jaar duurt. Er is dan sprake van een langlopende vordering op een klant. Is er sprake van een betalingsregeling of verlengde termijn, dan is dit relevant voor hoe de opbrengsten verantwoord worden. De RJ gaat ervan uit dat indien de betaling langer dan een jaar duurt, er sprake is van een ‘krediet’ of ‘lening’. Onderstaand volgt een voorbeeld:

 

Stel een auto wordt verkocht voor € 20.000 en de betaling van de auto vindt plaats in twee delen: de eerste € 10.000 binnen zes maanden na levering en de tweede € 10.000 na anderhalf jaar. In deze transactie is sprake van een belangrijke financieringscomponent omdat tussen het moment van leveren en betalen langer dan één jaar zit voor het tweede deel van anderhalf jaar. Stel dat een gebruikelijk rentepercentage op het moment van verkoop 5% bedraagt.

 

Op het moment dat de auto verkocht wordt mag, geen opbrengst van € 20.000 verantwoord worden. Er is immers sprake van een financieringscomponent. In plaats van € 20.000 mag maar € 20.000 * 95% = € 19.000 euro aan opbrengsten genomen worden. Dit omdat de betaling na anderhalf jaar als financiering wordt aangemerkt en daarmee onderdeel is van de verkoopprijs. De opbrengst bij betaling na anderhalf jaar bedraagt dan de resterende € 1.000. Er is hier dus sprake van een gedeeltelijke renteopbrengst wat een financiële bate betreft.

 

Wanneer je regelmatig betalingstermijnen van meer dan één jaar overeenkomt, heeft deze wijziging dus wel impact op de omzetverantwoording en daarmee op de financiële administratie.

Licenties

Een licentie is in feite een terbeschikkingstelling van intellectueel eigendom van de rechtspersoon aan de afnemer. Denk hierbij aan software, octrooien, muziek, auteursrechten of handelsmerken.

 

Opbrengsten uit licenties kunnen worden behandeld in het kader van opbrengstenverantwoording als de verkoop van een goed of als de levering van de dienst. Bij de verkoop van een goed neem je de opbrengst bij verkoop en bij een dienst naar gelang de prestatie geleverd wordt.

 

Stel dat een licentie wordt verkocht voor het gebruik van Microsoft Excel gedurende twee jaar voor in totaal € 200.000. Belangrijk hierbij is om na te gaan of de verkoper verplichtingen heeft om de geleverde licentie te onderhouden of te verbeteren en of zonder deze dienst de software alsnog gebruikt kan worden.

 

In het geval van Microsoft Excel gaan we ervan uit dat onderhoud en verbetering niet noodzakelijk zijn. In dit geval wordt op het moment van verkoop de licentie, zijnde een goed geleverd en wordt de opbrengst van € 200.000 ineens verantwoord.

 

Stel nu dat zelf ontwikkelde software verkocht wordt voor € 200.000 waarbij de verkoper de software moet monitoren en updates moet uitvoeren, de software is ook niet bruikbaar zonder de monitoring en updates. In dit voorbeeld wordt de verkoop van de software behandeld als een dienst omdat de verkoop gedurende de twee jaar plaatsvindt en voor goed gebruik van de software ook updates aangeboden moeten worden.

 

Belangrijk hierbij is om na te gaan of er sprake is van meerdere prestatieverplichtingen. Zie hiertoe mijn eerdere blog. Indien je licenties verkoopt is het goed na te gaan hoe deze opbrengsten verantwoord moeten worden. Kijk hierbij goed naar de contractuele afspraken die opgenomen zijn in de overeenkomst en de aard van de licentie die je levert.

Retouren

Retourneren, iedereen doet het bij het (online) kopen van kleding of andere producten. Maar tot dusver was in de RJ niks opgenomen over de verwerking hiervan. In RJ 270, onderdeel van de RJ-uiting 2020-15, wordt nu voorgeschreven hoe retouren verwerkt moet worden in de administratie.

 

De verkoper van goederen moet inschatten hoeveel van zijn verkopen retour komen. Hierbij is het zinvol om naar het verleden te kijken en na te gaan hoeveel procent gemiddeld retour komt. Op basis van deze ervaringscijfers kan een betrouwbare inschatting van de retouren gemaakt worden.

 

Op basis van deze inschatting moeten de opbrengsten en de kostprijs verlaagd worden met het verwachte bedrag aan retouren. De verwachte retouren worden als verplichting opgenomen op de balans en in mindering gebracht op de opbrengsten. Anderzijds wordt het recht op retour als een actiefpost opgenomen die gewaardeerd wordt op boekwaarde van de geleverde goederen verminderd met alle verwachte kosten om die goederen terug te krijgen (inclusief mogelijke waardeverminderingen van geretourneerde goederen).

 

Voorbeeld: De onderstaande producten worden in de maand december verkocht. De opbrengst van in totaal € 32.000 wordt niet volledig als opbrengst verantwoord, de boeking is:

 

Bank                                        32.000
Opbrengst                               31.550
Verplichting retouren               450

 

 

Wanneer de goederen niet retour komen, valt de verplichting vrij ten gunste van de omzet. Dit zal na het verlopen van de retourtermijn beoordeeld moeten worden. Let op, in dit voorbeeld is de kostprijs niet gecorrigeerd middels een actiefpost.

Garanties

In de huidige richtlijn is over garanties geen specifieke bepaling opgenomen. De nieuwe richtlijn kijkt wederom of de garantie een separate prestatieverplichting is. Een garantie die gegeven is om te borgen dat een goed aan de overeengekomen specificaties voldoet, is geen aparte prestatieverplichting. Het goed dat je verkoopt moet namelijk voldoen aan de specificaties anders houd je geen klanten over. Een aanvullende garantietermijn, boven de wettelijk vereiste garantietermijn, is daarentegen wel een aparte prestatieverplichting. Indien dit het geval is moet het deel van de transactieprijs die betrekking heeft op de garantie apart worden toegerekend. Is er sprake van een wettelijke garantie dan verwerken we de verwachte garantiekosten in een garantievoorziening.

 

Ik heb in dit blog middels een aantal voorbeelden geprobeerd de impact van de nieuwe uiting duidelijk te maken voor zover ik dat kan met slechts 1.700 woorden. Mocht je vragen hebben ten aanzien van dit blog of de gewijzigde regelgeving aarzel dan niet om contact met mij op te nemen!

Publicatiedatum: 24-11-2021

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Waarvoor is de premie

De werkhervattingskaspremie is ontstaan uit de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Met de komst van deze wet werd de werkgever onder andere door middel van het betalen van een extra premie verantwoordelijk voor werknemers die na uitdiensttreding aanspraak maken op een WGA- of ziektewetuitkering.

 

De premie bestaat dan ook uit twee premies:

  • WGA-premie (Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten)
  • ZW-premie (Ziektewet)

Van de WGA-premie kun je maximaal 50% verhalen op jouw werknemers.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

60 maandenregeling

Op het moment dat de auto van de zaak 5 jaar (60 maanden) oud is, kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. Bij de 60 maandenregeling wordt gekeken naar de datum eerste toelating. Een (hoger) percentage gaat vervolgens in vanaf de maand die volgt op de datum dat de auto 5 jaar oud is. Dit betekent dat van auto’s met een eerste toelating vanaf 1 december 2016 tot en met 30 november 2017 in 2022 de 60 maandenregeling afloopt en voor hen een hogere bijtelling gaat gelden. Voor zowel elektrische auto’s met een eerste toelating in 2016 als in 2017 gaat de bijtelling van 4% naar 16%. Dit is dus een forse stijging.

 

Voorbeeld
De werknemer heeft een elektrische auto van € 50.000 met eerste toelating op 1 januari 2017. Tot op heden heeft de werknemer € 166,67 bijtelling per maand betaald (€ 50.000 x 4% bijtelling / 12 maanden). Vanaf 1 februari 2022 zal dat € 741,67 per maand worden ((€ 35.000 x 16% bijtelling) + (€ 15.000 x 22% bijtelling) / 12 maanden). Dit is een stijging van € 575 euro per maand.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

Belangrijke financieringscomponenten

Stel dat je goederen of diensten levert, waarbij de klant meer dan één jaar de tijd mag nemen voor de betaling. De RJ stelt dat sprake is van een belangrijk financieringscomponent indien de betaling langer dan één jaar duurt. Er is dan sprake van een langlopende vordering op een klant. Is er sprake van een betalingsregeling of verlengde termijn, dan is dit relevant voor hoe de opbrengsten verantwoord worden. De RJ gaat ervan uit dat indien de betaling langer dan een jaar duurt, er sprake is van een ‘krediet’ of ‘lening’. Onderstaand volgt een voorbeeld:

 

Stel een auto wordt verkocht voor € 20.000 en de betaling van de auto vindt plaats in twee delen: de eerste € 10.000 binnen zes maanden na levering en de tweede € 10.000 na anderhalf jaar. In deze transactie is sprake van een belangrijke financieringscomponent omdat tussen het moment van leveren en betalen langer dan één jaar zit voor het tweede deel van anderhalf jaar. Stel dat een gebruikelijk rentepercentage op het moment van verkoop 5% bedraagt.

 

Op het moment dat de auto verkocht wordt mag, geen opbrengst van € 20.000 verantwoord worden. Er is immers sprake van een financieringscomponent. In plaats van € 20.000 mag maar € 20.000 * 95% = € 19.000 euro aan opbrengsten genomen worden. Dit omdat de betaling na anderhalf jaar als financiering wordt aangemerkt en daarmee onderdeel is van de verkoopprijs. De opbrengst bij betaling na anderhalf jaar bedraagt dan de resterende € 1.000. Er is hier dus sprake van een gedeeltelijke renteopbrengst wat een financiële bate betreft.

 

Wanneer je regelmatig betalingstermijnen van meer dan één jaar overeenkomt, heeft deze wijziging dus wel impact op de omzetverantwoording en daarmee op de financiële administratie.

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

60 maandenregeling

Op het moment dat de auto van de zaak 5 jaar (60 maanden) oud is, kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. Bij de 60 maandenregeling wordt gekeken naar de datum eerste toelating. Een (hoger) percentage gaat vervolgens in vanaf de maand die volgt op de datum dat de auto 5 jaar oud is. Dit betekent dat van auto’s met een eerste toelating vanaf 1 december 2016 tot en met 30 november 2017 in 2022 de 60 maandenregeling afloopt en voor hen een hogere bijtelling gaat gelden. Voor zowel elektrische auto’s met een eerste toelating in 2016 als in 2017 gaat de bijtelling van 4% naar 16%. Dit is dus een forse stijging.

 

Voorbeeld
De werknemer heeft een elektrische auto van € 50.000 met eerste toelating op 1 januari 2017. Tot op heden heeft de werknemer € 166,67 bijtelling per maand betaald (€ 50.000 x 4% bijtelling / 12 maanden). Vanaf 1 februari 2022 zal dat € 741,67 per maand worden ((€ 35.000 x 16% bijtelling) + (€ 15.000 x 22% bijtelling) / 12 maanden). Dit is een stijging van € 575 euro per maand.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

drs. Rob Droppers RA | AA

Accountant-Medewerker

0545-46 36 26 r.droppers@bonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

Waar wordt naar gekeken bij definitieve vaststelling?

Bij de definitieve vaststelling kijkt het UWV echter niet alleen naar de omzetdaling, maar ook naar de loonsom. De subsidie is bij de NOW 1 gebaseerd op de loonsom in de maanden maart, april en mei 2020. De loonsom in deze drie maanden wordt vergeleken met de loonsom van januari 2020* als referentiemaand. Als de totale loonsom in deze drie maanden lager is dan driemaal de loonsom van januari 2020*, dan wordt het subsidiebedrag bij de definitieve vaststelling gecorrigeerd waardoor het subsidiebedrag (een stuk) lager wordt. Bij de toekenning van het voorschot is nog geen rekening gehouden met een eventueel dalende loonsom. Hierdoor moet bij een dalende loonsom na de definitieve vaststelling vaak een flink bedrag (tot zelfs het gehele voorschot) worden terugbetaald.

* Indien de loonsom van januari 2020 niet bekend is, geldt de loonsom van november 2019 als referentiemaand.

Waarom deze correctie van de subsidie?

De NOW subsidie is door de overheid verstrekt met als doel dat je als werkgever jouw werknemers zo veel mogelijk in dienst houdt en doorbetaalt. Als jouw loonsom is gedaald, gaat het UWV er eigenlijk vanuit dat je jouw werknemers niet in dienst hebt gehouden of niet hebt doorbetaald. Bij een daling van de loonsom wordt daarom automatisch het definitieve subsidiebedrag naar beneden gecorrigeerd.

 

Maar een dalende loonsom kan zich ook voordoen als je jouw werknemers wél netjes in dienst hebt gehouden en doorbetaald, namelijk als de loonsom in de referentiemaand januari 2020* incidenteel hoog was. De daling van de loonsom wordt dan veroorzaakt doordat de loonsom in januari 2020* niet representatief was. De overheid heeft aangegeven dat het in zulke situaties, waarbij een daling van de loonsom wordt veroorzaakt door een ongewoon hoge loonsom in januari 2020*, niet de bedoeling is de subsidie te corrigeren.

Incidenteel loon

Onder ‘incidenteel loon’ wordt verstaan het loon dat – naast het reguliere loon en de vakantiebijslag -wordt uitbetaald naar aanleiding van afspraken in de arbeidsovereenkomst of cao en dat niet afhankelijk is van bedrijfsresultaten of prestaties van de werknemer. Hierbij kan gedacht worden aan een 13e maand, bonus, nabetaling van vakantiegeld, verrekening (reis)kostenvergoeding en/of een nabetaling van overuren. In dat geval is de referentiemaand januari 2020* niet representatief en leidt een correctie op de subsidie tot een onrechtvaardige situatie.

 

Daarnaast kan er sprake zijn van een niet-representatieve referentiemaand, in de volgende gevallen:

  • een werknemer is vóór 1 januari 2020 uit dienst gegaan, maar de eindafrekening is als all-in-loon verloond in januari 2020
  • er is sprake van opvolgend werkgeverschap, waaronder tevens de situatie kan vallen van inleenkrachten die na januari 2020* bij jou als inlener in dienst zijn gekomen

Wat te doen bij een gedaalde loonsom?

Vanaf 7 oktober 2020 tot 31 oktober 2021 kan de definitieve vaststelling van de NOW 1 worden aangevraagd. Het UWV berekent de definitieve subsidie waar je recht op hebt en legt deze beslissing vast in een brief (beschikking). Indien jouw loonsom is gedaald, zal het UWV de subsidie in deze beschikking waarschijnlijk naar beneden corrigeren.

 

Als je vermoedt dat het UWV ten onrechte jouw subsidie heeft verlaagd vanwege de dalende loonsom, kun je bezwaar maken tegen de beslissing van UWV.

 

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Wouter Koolmees heeft recent aangegeven dat als je bezwaar maakt tegen de beschikking van het UWV, nader zal worden bekeken of maatwerk kan worden geleverd. Hierbij wordt volgens minister Koolmees nadrukkelijk rekening gehouden met incidentele

beloningen in de referentiemaand, die hebben geleid tot een niet-representatieve loonsom.

Bezwaar maken kan bij een incidenteel hoge loonsom in januari 2020* dus zeker zinvol zijn.

 

Let op: als jouw loonsom is gedaald vanwege andere redenen (bijvoorbeeld als gevolg van ontslag/vertrek van een werknemer of bedrijfseconomisch ontslag), is de subsidie waarschijnlijk terecht naar beneden gecorrigeerd. Bezwaar maken zal dan waarschijnlijk weinig zin hebben. Het is dus van belang om na te gaan door welke oorzaak jouw loonsom is gedaald.

 

Voor het aantekenen van bezwaar geldt een bezwaartermijn van 6 weken na de beschikking van het UWV, daarna vervalt de mogelijkheid om bezwaar te maken. Zorg er dus voor dat je op tijd bezwaar maakt!

 

* Indien de loonsom van januari 2020 niet bekend is, geldt de loonsom van november 2019 als referentiemaand.

 

Publicatiedatum: 16-09-2021

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

60 maandenregeling

Op het moment dat de auto van de zaak 5 jaar (60 maanden) oud is, kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. Bij de 60 maandenregeling wordt gekeken naar de datum eerste toelating. Een (hoger) percentage gaat vervolgens in vanaf de maand die volgt op de datum dat de auto 5 jaar oud is. Dit betekent dat van auto’s met een eerste toelating vanaf 1 december 2016 tot en met 30 november 2017 in 2022 de 60 maandenregeling afloopt en voor hen een hogere bijtelling gaat gelden. Voor zowel elektrische auto’s met een eerste toelating in 2016 als in 2017 gaat de bijtelling van 4% naar 16%. Dit is dus een forse stijging.

 

Voorbeeld
De werknemer heeft een elektrische auto van € 50.000 met eerste toelating op 1 januari 2017. Tot op heden heeft de werknemer € 166,67 bijtelling per maand betaald (€ 50.000 x 4% bijtelling / 12 maanden). Vanaf 1 februari 2022 zal dat € 741,67 per maand worden ((€ 35.000 x 16% bijtelling) + (€ 15.000 x 22% bijtelling) / 12 maanden). Dit is een stijging van € 575 euro per maand.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

Technologie in het spel

In de voetbalwereld zien we steeds meer technologische ontwikkelingen voorbijkomen. Denk bijvoorbeeld aan de VAR. Bij BonsenReuling blijven we ook niet achter. Momenteel zijn we druk met het optimaliseren van onze dienstverlening. Dit alles om onze klanten zo goed en efficiënt mogelijk van onze diensten te kunnen voorzien. Zo maken we voor de verwerking van administraties voornamelijk gebruik van diverse online pakketten die aan elkaar te koppelen zijn. Denk hierbij aan Basecone voor het verwerken van facturen, ExactOnline/Twinfield voor de verwerking van de gehele administratie en Visionplanner voor het presenteren van tussentijdse cijfers en prognoses. Zo blijven we lekker up-to-date!

De selectie bepalen

Een trainer gedijt vaak goed bij een brede selectie. Zo is dat bij ons niet anders. Doordat we bij BonsenReuling verschillende disciplines in huis hebben, kunnen we ondernemers op vrijwel alle vlakken voorzien van gedegen advies. De lijntjes zijn kort en we delen de interne kennis op een efficiënte manier. Zo ontstaat er een team wat werkt als een geoliede machine. Dat zorgt direct voor een gevoel van saamhorigheid, wat natuurlijk ook een typerende factor is tijdens het EK of WK. Als team heb je één doel voor ogen: het beste resultaat neerzetten. Dit doen we bij BonsenReuling door iedere specialist op de juiste plek neer te zetten en steeds de juiste persoon voor “the job” naar voren te schuiven. Soms heb je een aanvaller nodig om de deal er doorheen te krijgen, maar is een verdediger net zo belangrijk om de samenwerking soepel te laten verlopen.

 

Kortom: accountancy kent flink wat raakvlakken met voetbal, maar gelukkig hebben we bij BonsenReuling niet een keer in de zoveel tijd te maken met 17 miljoen bondscoaches, die allemaal hun eigen mening hebben over het zakelijke spel.

 

Benieuwd of wij ook samen met jou een gouden team kunnen vormen? Neem dan contact met ons op!

 

Publicatiedatum: 24-06-2021

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

60 maandenregeling

Op het moment dat de auto van de zaak 5 jaar (60 maanden) oud is, kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. Bij de 60 maandenregeling wordt gekeken naar de datum eerste toelating. Een (hoger) percentage gaat vervolgens in vanaf de maand die volgt op de datum dat de auto 5 jaar oud is. Dit betekent dat van auto’s met een eerste toelating vanaf 1 december 2016 tot en met 30 november 2017 in 2022 de 60 maandenregeling afloopt en voor hen een hogere bijtelling gaat gelden. Voor zowel elektrische auto’s met een eerste toelating in 2016 als in 2017 gaat de bijtelling van 4% naar 16%. Dit is dus een forse stijging.

 

Voorbeeld
De werknemer heeft een elektrische auto van € 50.000 met eerste toelating op 1 januari 2017. Tot op heden heeft de werknemer € 166,67 bijtelling per maand betaald (€ 50.000 x 4% bijtelling / 12 maanden). Vanaf 1 februari 2022 zal dat € 741,67 per maand worden ((€ 35.000 x 16% bijtelling) + (€ 15.000 x 22% bijtelling) / 12 maanden). Dit is een stijging van € 575 euro per maand.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.

60 maandenregeling

Op het moment dat de auto van de zaak 5 jaar (60 maanden) oud is, kan dit gevolgen hebben voor de bijtelling. Bij de 60 maandenregeling wordt gekeken naar de datum eerste toelating. Een (hoger) percentage gaat vervolgens in vanaf de maand die volgt op de datum dat de auto 5 jaar oud is. Dit betekent dat van auto’s met een eerste toelating vanaf 1 december 2016 tot en met 30 november 2017 in 2022 de 60 maandenregeling afloopt en voor hen een hogere bijtelling gaat gelden. Voor zowel elektrische auto’s met een eerste toelating in 2016 als in 2017 gaat de bijtelling van 4% naar 16%. Dit is dus een forse stijging.

 

Voorbeeld
De werknemer heeft een elektrische auto van € 50.000 met eerste toelating op 1 januari 2017. Tot op heden heeft de werknemer € 166,67 bijtelling per maand betaald (€ 50.000 x 4% bijtelling / 12 maanden). Vanaf 1 februari 2022 zal dat € 741,67 per maand worden ((€ 35.000 x 16% bijtelling) + (€ 15.000 x 22% bijtelling) / 12 maanden). Dit is een stijging van € 575 euro per maand.

Impact

Het is wellicht handig na te gaan wat de impact hiervan is: gaat de omvang van de onderneming door de toename van het balanstotaal van klein naar middelgroot? Of van middelgroot naar groot?

 

Tijdens de uitvoering van een project is meerwerk (helaas) geen bijzonderheid. Belangrijke vraag voor meerwerk in het kader van de RJ-uiting is: ‘betreft dit een afzonderlijke prestatieverplichting’? Een prestatieverplichting is een verplichting om binnen de gesloten overeenkomst een goed of een dienst te leveren. De vraag is hier of meerwerk een aparte prestatieverplichting is ten opzichte van de gesloten overeenkomst. Kan de klant zelfstandig gebruik maken van hetgeen wat voorkomt uit het meerwerk of is dit onlosmakelijk verbonden en niet bruikbaar zonder hetgeen wat voortkomt uit de overeenkomst. Zie voor voorbeelden van prestatieverplichtingen ook mijn eerdere blog.

 

Als het meerwerk geen ‘afzonderlijke prestatieverplichting’ is ten opzichte van het lopende project dan wordt het meerwerk als wijziging van het project doorgevoerd. De opbrengsten en het percentage gereed zal dus wijzigen.

 

Betreft het meerwerk wel een afzonderlijke prestatieverplichting, dan is er sprake van een nieuw project en moet deze als nieuw project opgenomen worden. Dit is niet het geval wanneer de vergoeding die ontvangen wordt voor het meerwerk niet de werkelijke waarde weergeeft. Dus stel een aannemer die een huis bouwt ‘matst’ zijn klant door een carport aan te bieden voor € 5.000 terwijl de feitelijke waarde € 20.000 is, dan is er geen sprake van een afzonderlijke prestatieverplichting. Dit omdat zonder de bouw van het huis de carport nooit voor € 5.000 aangeboden zou zijn. De carport en de bouw van de woning vormen, omdat de vergoeding niet de werkelijke waarde weergeeft, een prestatieverplichting voor de aannemer. Het meerwerk, van € 5.000, wordt dan gewoon in het bestaande project verwerkt.

 

Deze wijziging in de RJ betekent dus wel iets voor de administratie van onderhanden projecten met ingang van 2022.

Technologie in het spel

In de voetbalwereld zien we steeds meer technologische ontwikkelingen voorbijkomen. Denk bijvoorbeeld aan de VAR. Bij BonsenReuling blijven we ook niet achter. Momenteel zijn we druk met het optimaliseren van onze dienstverlening. Dit alles om onze klanten zo goed en efficiënt mogelijk van onze diensten te kunnen voorzien. Zo maken we voor de verwerking van administraties voornamelijk gebruik van diverse online pakketten die aan elkaar te koppelen zijn. Denk hierbij aan Basecone voor het verwerken van facturen, ExactOnline/Twinfield voor de verwerking van de gehele administratie en Visionplanner voor het presenteren van tussentijdse cijfers en prognoses. Zo blijven we lekker up-to-date!

Dennis Kemerink LL.M. RB

Senior belastingadviseur

0545-46 36 26 d.kemerink@bonsenreuling.nl Stuur een bericht

Meer weten over wat we allemaal doen?

Plan een afspraak met één van onze specialisten.